Rechtsbescherming voor PVT leden

Leden van de PVT moeten zich vrij voelen om hun rol naar eigen inzicht te vervullen, zonder bang te zijn voor hun loopbaan of baan.

In de Wet op de Ondernemingsraden (WOR)  en in het Burgerlijk Wetboek is daar iets voor geregeld.

 

Benadeling.

In de WOR in artikel 21 is geregeld dat de ondernemer er voor moet zorgen dat werknemers die op een kandidatenlijst hebben gestaan, PVT-lid zijn of zijn geweest niet worden benadeeld.

Een aan de PVT toegevoegde secretaris of iemand die het initiatief heeft genomen voor het instellen van een PVT mogen ook geen nadeel ondervinden.

Als de ondernemer dit niet doet kan door belanghebbenden aan de Kantonrechter gevraagd worden de ondernemer op te dragen uitvoering aan dit artikel te geven.

 

Ontslagbescherming.

In het burgerlijk wetboek (artikelen 7: 670 en 7: 670a)  is geregeld dat PVT-leden niet zomaar ontslagen kunnen worden; het zogenaamde opzeg verbod.

In de praktijk betekent dit dat de werkgever eerst toestemming van de Kantonrechter nodig heeft om de arbeidsovereenkomst te beëindigen.  

Voor de in artikel 7: 670a BW genoemde personen heeft de werkgever voorafgaande toestemming van de kantonrechter nodig om de arbeidsovereenkomst met hen te kunnen opzeggen.

De kantonrechter geeft de toestemming pas als de werkgever aannemelijk heeft gemaakt dat het beëindigen van de arbeidsovereenkomst geen verband heeft  met betrokkenheid met de PVT.